We kijken meestal naar de verkeerde plek.

Wanneer vrouwen in de overgang vastlopen op hun werk, zoeken organisaties oplossingen in de bovenstroom. Meer informatie. Een beleid. Een protocol. Een gesprek met HR.

Maar de overgang speelt zich niet af in de bovenstroom.

Ze speelt zich af in de onderstroom.

Daar waar gevoelens ontstaan waarvoor nog geen taal is. Waar vermoeidheid zich mengt met onrust. Waar vrouwen merken dat ze niet meer automatisch meegaan in patronen die jarenlang vanzelfsprekend waren.

In de onderstroom gebeurt iets fascinerends.

Wat eerst een individueel ongemak lijkt, blijkt vaak een collectief signaal te zijn.

Veel vrouwen beschrijven dezelfde ervaring. Niet alleen lichamelijke veranderingen, maar ook een groeiend onvermogen om zich aan te passen aan verwachtingen die niet meer passen. Ze worden kritischer op werk dat energie kost zonder betekenis te geven. Minder bereid om voortdurend voor anderen te zorgen ten koste van zichzelf. Minder gevoelig voor hiërarchie en status.

Dat wordt soms gezien als een probleem.

Maar vanuit transitiedenken is het juist een teken dat er iets nieuws ontstaat.

Elke grote verandering begint met ongemak. Met mensen die voelen dat het oude niet meer werkt, terwijl het nieuwe nog geen vorm heeft gekregen. Dat is precies wat de onderstroom doet. Ze maakt zichtbaar wat in de bovenstroom nog wordt ontkend.

De overgang is daarom meer dan een persoonlijke levensfase.

Ze legt bloot hoe onze organisaties zijn ingericht. Hoe we succes definiëren. Hoe weinig ruimte er is voor vertraging, reflectie en wijsheid. Hoe sterk we nog steeds sturen op presteren, terwijl steeds meer mensen verlangen naar betekenis.

Vrouwen in de overgang vormen daarmee geen uitzondering.

Ze zijn voorlopers.

Zij ervaren als eersten wat veel anderen later ook gaan voelen: dat een systeem dat uitsluitend draait op productiviteit uiteindelijk botst met menselijke behoeften.

In de onderstroom van organisaties groeit daarom iets nieuws. Niet luidruchtig en zichtbaar, maar stil en hardnekkig. Een verlangen naar ander leiderschap. Naar werk dat klopt met wie je bent. Naar ruimte voor ervaring, intuïtie en levenswijsheid.

Juist vrouwen in de overgang geven die beweging een gezicht.

Niet omdat zij daarvoor hebben gekozen.

Maar omdat hun lichaam hen uitnodigt om niet langer weg te kijken van wat werkelijk belangrijk is.

En dat is misschien wel de belangrijkste les van de onderstroom: echte verandering ontstaat niet wanneer mensen worden overtuigd.

Ze ontstaat wanneer mensen niet langer kunnen doen alsof er niets aan de hand is.