Er zijn tijden waarin een samenleving haar diepste overtuigingen verraadt in ogenschijnlijk kleine handelingen. Niet in grote politieke debatten of historische crises, maar in spreekkamers. In recepten. In diagnoses.

Neem de vrouw in de overgang.

Ze komt bij de huisarts. Ze slaapt slecht. Ze piekert. Haar hart bonst soms zonder aanleiding. Ze voelt zich niet meer zichzelf. Haar emoties lijken dichter onder de huid te liggen dan vroeger. Ze huilt om dingen die haar vroeger niet raakten. Ze twijfelt aan haar werk, aan haar lichaam, soms zelfs aan haar toekomst.

En dan gebeurt iets opmerkelijks.

In plaats van de vraag te stellen wat er in haar leven en lichaam verandert, krijgt zij vaak een andere vraag voorgeschoteld: bent u misschien depressief?

Het antwoord op die vraag wordt vervolgens niet zelden gevonden in een doosje antidepressiva.

Historici leren dat samenlevingen geneigd zijn complexe verschijnselen te reduceren tot beheersbare problemen. Waar onzekerheid ontstaat, zoeken we naar controle. Waar ongemak verschijnt, verlangen we naar een oplossing. Dat is begrijpelijk. Maar het is niet altijd verstandig.

De overgang is geen ziekte. Het is een biologische levensfase die miljoenen vrouwen doormaken. Toch lijkt onze cultuur daar nog altijd moeite mee te hebben. We beschikken over een indrukwekkend vocabulaire voor puberteit, zwangerschap en ouderdom, maar voor de overgang blijft de taal opvallend arm.

Alsof deze periode zich ergens in een maatschappelijke schemerzone bevindt. Want veranderen is misschien wel het meest normale wat een mens doet.

Bomen verliezen hun bladeren zonder dat iemand antidepressiva voorstelt. Rivieren verleggen hun loop zonder dat een commissie wordt opgericht om het probleem te analyseren. Alleen van mensen verwachten we kennelijk dat ze dezelfde blijven, jaar na jaar, terwijl alles in en om hen heen verschuift.

Natuurlijk bestaan depressies.

Wat we niet goed begrijpen, hebben we de neiging te medicaliseren.

De cijfers laten zien dat vrouwen in de overgang relatief vaak antidepressiva voorgeschreven krijgen. Natuurlijk zijn er vrouwen die daadwerkelijk kampen met een depressie en veel baat hebben bij deze medicijnen. Daar mag geen misverstand over bestaan. Antidepressiva kunnen levens veranderen en soms zelfs levens redden.

Maar de vraag die we onszelf moeten stellen is een andere.

Wordt verdriet behandeld als depressie? Worden hormonale veranderingen geïnterpreteerd als psychiatrische klachten? Wordt een fase van transformatie verward met een stoornis?

Dat zijn geen medische vragen alleen. Het zijn culturele vragen.

Want onder de recepten schuilt een verhaal over hoe wij naar vrouwen kijken. Eeuwenlang zijn vrouwelijke ervaringen door een mannelijke medische bril geïnterpreteerd. De geschiedenis kent talloze voorbeelden van verschijnselen die later volstrekt normaal bleken, maar destijds als afwijking werden beschouwd. De overgang lijkt soms nog steeds gevangen in die erfenis.

Het wrange is dat veel vrouwen intuïtief weten wat er gebeurt. Zij herkennen de veranderingen in hun lichaam. Zij lezen, spreken met vriendinnen, zoeken informatie. Maar wanneer hun ervaring niet aansluit bij het medische antwoord dat zij krijgen, ontstaat een gevoel van vervreemding.

Alsof hun eigen kennis van hun lichaam minder gezag heeft dan het receptblok.

Misschien ligt daar de kern van het probleem.

Niet dat antidepressiva worden voorgeschreven, maar dat er soms te weinig wordt geluisterd voordat ze worden voorgeschreven.

De overgang vraagt niet in de eerste plaats om verdoving van symptomen. Zij vraagt om erkenning. Om kennis. Om een gesprek waarin hormonen, werkdruk, mantelzorg, ouder wordende ouders, veranderende relaties en existentiële vragen allemaal een plaats mogen hebben.

Want dat is wat deze levensfase vaak óók is: een confrontatie met verandering.

En verandering laat zich niet altijd wegslikken.

Sommige ongemakken verdienen behandeling. Andere vragen begrip. Weer andere vragen tijd.

Een samenleving die voor elk ongemak onmiddellijk een pil zoekt, loopt het risico de betekenis van menselijke ervaringen uit het oog te verliezen. Juist daarom is het gesprek over antidepressiva en de overgang groter dan een medische discussie. Het gaat over de vraag of wij vrouwen in deze fase werkelijk zien.

Niet als patiënt.

Niet als probleem.

En dat je dan ontdekt dat verdwijnen en verschijnen soms hetzelfde proces zijn. Dat je jezelf niet verliest, maar opnieuw moet leren herkennen. Dat er geen pil bestaat die dat werk voor je kan doen.